De lege hemel van B.C. Epker
by Huub Mous


It is the habit of approaching works of art
in order to interpret them that sustains the
fancy that there really is such a thing as the
content of a work of art.
Susan Sontag

In het Prado-museum in Madrid hangt een schilderij van Goya waarop een levensgrote pop te zien is die met een doek omhoog wordt gegooid door vier jonge vrouwen. De pop hangt stijf in de lucht, alsof hij door een camera is
stilgezet. Hij heeft een merkwaardig hoofddeksel op, en een wonderlijke houding. Zijn benen zijn krom, de voeten iets uit elkaar, en het hoofd hangt slap naar opzij. Op de achtergrond ontvouwt zich een arcadisch landschap met een huis dat gedeeltelijk boven het gebladerte uitsteekt.

In het Spanje van de achttiende eeuw was dit een bekend volksvermaak: het jonassen van een levenloze mannenpop. Het tafereel oogt op het eerste gezicht als een wat houterig geschilderd folkloristisch genrestuk, onschuldig en tijdloos tegelijk. En toch klopt er iets niet. De vrouwen glimlachen. Kennelijk hebben ze plezier in dit spel, waarin ze voor even de meesteres zijn van de man. Of misschien zijn ze dat altijd wel geweest en is dát juist de geheime boodschap die dit tafereel zo raadselachtig maakt. Of heeft het beeld helemaal geen boodschap en verwijst het alleen naar zichzelf? Misschien is de levenloze pop wel een metafoor voor het beeld als zodanig. De leegte van spel is juist wat het plezier voortbrengt. Of het nu komt door de geniale blik van Goya, die een scherp oog had voor de verborgen wreedheden van het leven, of door de merkwaardige houdingen waarin de figuren voor eeuwig bevroren zijn in de tijd, het geheel heeft iets verontrustends. Het is alsof een onbenoembaar onheil door het scherm van de voorstelling heen breekt. Als in een filmscène van David Lynch: je voelt dat er iets mis is, maar je kunt er niet de vinger op leggen.

In het werk van B.C. Epker lijkt vaak een vergelijkbaar, onderhuids gevoel van dreiging tot uiting te komen. Het is moeilijk aan te geven waar hem
dat in zit. Soms komt een geweer of pistool in beeld, maar verder is er weinig dat direct aanleiding geeft tot een vermoeden van naderend onheil. Wat je ziet zijn licht vervreemdende taferelen die een fusie vormen van ongelijksoortige beeldelementen. ‘Gevonden beelden’, ontleend aan foto’s, schilderijen, gravures, internet, pornoblaadjes of strips, zijn met elkaar een chemische verbinding aangegaan in de fantasie van de maker. Het ‘junkfood uit de beeldcultuur’ is een eigen leven gaan leiden. Een soldaat, een man in uniform, een vrouw in folkloristische klederdracht, ze lijken stuk voor stuk verdwaald in een nieuwe wereld waarin iets grondig mis is. Maar wat? Misschien gaat het niet zozeer om de voorstelling zelf, maar om de wijze waarop die in beeld is gebracht. Alles staat stil alsof het al heel lang stilstaat. De houdingen zijn wat je noemt ‘bevroren’, catatonisch bijna. Het is een soort vertraagd poseren wat de figuren lijken te doen, een eindeloos wachten tot het moment dat het beeld ‘beeld wordt’. Deze gekunstelde houding is het duidelijkst te zien in het fotografisch werk van Epker. Ook daar staan de figuren nadrukkelijk stil. Iets te nadrukkelijk zelfs, alsof ze heel langzaam ‘getekend’ zijn door de camera. Ze staan ook vaak in een
iets te lege ruimte, een landschap dat niet helemaal past bij hun houding, kleding of uitdossing. Je voelt dat er iets niet klopt,maar dan is het al te laat. Dan heeft het beeld zich al in je brein genesteld als een vanzelfsprekend maar ook verontrustend gegeven.

Wat maakt een beeld tot een beeld? Die vraag houdt tegenwoordig menig kunstcriticus bezig in een wereld die overspoeld wordt met beelden. Er zijn zoveel beelden dat het beeld zelf lijkt te verdwijnen. In de hedendaagse plaatjesmaatschappij wordt het steeds meer van zijn authentieke waarde ontdaan. Beelden zijn op allerlei manieren te manipuleren. Ze worden voortdurend ‘gestript’, ontrukt aan hun oorsprong, en in een nieuwe setting tot leven gebracht. Modefotografen hanteren de codes van de documentaire fotograaf. In clips op MTV worden stilistische beeldmiddelen gehanteerd die door kunstenaars zijn ontwikkeld. Zelfs het fotografische beeld op zich is
niet meer te vertrouwen, omdat het digitaal bewerkt en gemanipuleerd kan worden. Foto’s ijken niet langer de waarheid. De beroemde woorden van Nietzsche, ‘Niets is waar, alles is geoorloofd’, lijken in de ziedende maalstroom van de hedendaagse beeldcultuur een onverwachte bestemming te vinden. Iedereen is uiterst gevoelig voor beelden geworden, maar omgekeerd wordt iedereen er ook steeds meer door afgestompt. Een vreemde paradox. We leven in een tijd van ‘beeldende geletterdheid’, maar ervaren óók totale beeldindigestie’. De gelaagdheden, coderingen, trucages, associaties en connotaties die met een beeld verbonden kunnen zijn, worden onbewust ervaren, maar tegelijk ook bewust becommentarieerd. In dat pandemonium is het de taak van de kunstenaar beelden te produceren die weerstand bieden aan deze maalstroom. Dat wil zeggen: beelden die wrijving geven, blijven haken. Die irriteren en intrigeren, onderhuids.

Dat laatste lukt Epker wonderwel. Telkens weer weet hij een beeld te creëren dat de aandacht vasthoudt, of zelfs meer dan dat. De beelden van Epker schuren, ze creëren een onderhuidse jeuk waarbij krabben niet baat. De laatste jaren heeft zijn handschrift steeds meer een eigen signatuur gekregen. Het uiterst nerveuze, bijna gestoorde, ‘kladachtige’ tekenen uit zijn vroege periode, toen de ballpoint een handzaam instrument werd als seismograaf van een ogenschijnlijk gekweld innerlijk, heeft plaatsgemaakt voor een meer afgewogen beeldorganisatie met potlood en pen in zwart-wit en een spaarzaam gebruik van kleur. De geheel eigen lijnvoering lijkt nu een handelsmerk te zijn geworden. Elk afzonderlijk werk verraadt zich meteen als een Epker. De tekeningen zijn tekens geworden van zichzelf. Het
Epkeriaanse beelduniversum dat zo ontstaat, wordt duidelijk door formele factoren gekenmerkt. Het vermogen, bijvoorbeeld, om het lege wit van het vlak daadwerkelijk als ruimte te laten overkomen. Sommige figuren staan versteend in een immens decor van lucht en landschap, dat slechts door een paar lijnen gesuggereerd wordt. Soms zijn een paar vliegende vogels al voldoende om de ruimte voelbaar te maken. Dan weer is het een scherpe horizon of een kleine kerktoren in de verte die een groots perspectief
opentrekt. Epker speelt met de verlatenheid van de landschappelijke ruimte als in een romantisch beeldprocedé. De figuren staan frontaal in beeld of met de rug naar de horizon. Eenzaam in de grote wereld. Het verlangen is overal, maar de hemel is leeg. Dreigend leeg.

Misschien zijn het niet zozeer landschappen die hier zijn getekend, maar decors van het innerlijk. ‘Mindscapes’ in plaats van ‘landscapes’. De personages lijken voertuigen te zijn van onbestemde gevoelens, alsof ze slaapwandelend zijn betrapt en vervolgens, als een konijn in het licht, zijn
verstard. Het beeld lijkt voortdurend te wachten om in beweging te komen, als een filmstill, maar dan stilgezet in een koortsdroom. Dit surreële, bijna onirische karakter van de voorstelling wordt steeds opnieuw op subtiele wijze in werking gezet. De sfeer heeft iets obsessiefs, alsof alles in trance is ontstaan. Het uiterst gemaniëreerde handschrift lijkt overbezet te zijn met aandacht, alsof een grote, onbewuste kracht het potlood heeft voortgedreven. Het is eerder een sierlijk krassen dan een ontspannen schetsen wat de hand heeft gedaan. En toch ontstaat telkens weer dat
eigen ritme van de lijn, soms bijna decoratief, maar meestal geïmpregneerd met een ogenschijnlijk gestolde emotie. Hoe het ook zij, de binnenwereld is naadloos verbonden met ‘buiten’. De grens tussen die twee is opeens niet meer scherp te trekken. We bevinden ons niet in een andere wereld, maar op de drempel daarvan. In een universum – nét onder de werkelijkheid – waarin de tekens ontketend zijn in een vlottend proces van verschuivingen. In deze parallelle wereld heeft niets meer een vastomlijnde betekenis,
die wordt alleen maar gesuggereerd. In haar essay ‘Against interpretation’ stelt Susan Sontag dat interpretatie geen absolute waarde is, zoals de meeste mensen denken, een tijdloos vermogen van de geest. Interpretatie moet altijd worden beschouwd binnen het historische kader van het menselijk bewustzijn. Soms kan interpretatie een bevrijdende daad zijn, een middel om te ontsnappen aan een verleden dat dood is. Maar meestal is
het vooral een reactionair en verstarrend instrument. Door een stoet van epigonen van Freud tot Marx is onze wereld genoegzaam uitgemolken door eindeloze processen van interpretatie. Weg met alle onechte, talige verdubbelingen van de wereld, zegt Sontag. Weg ermee, opdat we
opnieuw onmiddellijk kunnen ervaren wat we hebben.

Misschien is het meest kenmerkende aspect van het werk van Epker dat het beeld zich radicaal onttrekt aan interpretatie, maar daar wel voortdurend toe uitnodigt.

Terwijl ik dit schrijf, realiseer ik mij hoe absurd deze bewering in feite is, omdat ze zelf een interpretatie bij uitstek is. Wie zich begeeft in bespiegelingen over het fenomeen interpretatie glijdt vroeg of laat weg in
de lege afgrond van totale betekenisloosheid.

Is Goya’s beeld van de levenloze pop die door vrouwen gejonast wordt een beeld op zich, of is er hier meer aan de hand? Bestaat er wel zoiets als een beeld dat zich radicaal onttrekt aan interpretatie? Is niet elk beeld voortdurend onderhevig aan een vlottend stramien van verglijdende tekens, waarin het zich keer op keer vernieuwt? ‘Er zijn geen feiten,’ zei Nietzsche, ‘alleen interpretaties.’ Als dat zo is, is elk beeld dan niet per definitie een interpretatie? Is elk beeld niet op zijn minst gedoemd om verslonden te worden door het interpreterende dier dat mens heet? Bestaat er eigenlijk wel een grens tussen binnen en buiten? Is elk beeld niet in laatste instantie een fantoom van ons brein? Worden we niet omgeven door een angstwekkende leegte? Deze beklemmende problematiek wordt in het werk van Epker niet opgelost. Zijn beelden – en dat is een kwaliteit – roepen wel dit soort vragen op. Zij buigen terug naar zichzelf. Naar de vraag wat een beeld eigenlijk is en hoe dat in ons brein functioneert. De lege hemel van Epker blijft leeg, maar dwingt ons wel om de leegte onder ogen te zien.

 

 

 

 

 


El Pelele (1792)
Francisco de Goya

English

Publications:
- Paradise lost/regained*
- The empty Sky of B.C. Epker

Articles: 
- Ruins of the battlefield
- Shimmergift
- The dreamer doesn't get lost

Press:
- Review Volkskrant (Dutch)
      

Dutch

Pulicaties:
- Paradise lost/regained*
- De lege hemel van B.C. Epker

Artlkelen:
- De ruines van het slagveld
- Schemergift
- De dromer verdwaalt niet
- Paradise Lost

Recensies:
- Volkskrant
      

German

Artlkel:
- Paradise Lost