Paradise lost/regained*
door Mischa Andriessen
Over B.C. Epker
Toen ik een jaar Italiaanse les had, vertelde mijn leraar, een Italiaan
die Nederlands had gestudeerd, dat hij voor zijn doctoraalexamen
driehonderd Nederlandse spreekwoorden vanbuiten
had moeten leren. Hij kon ze allemaal nog zó opzeggen, zonder
dat hun betekenis hem ooit echt duidelijk was geworden. ‘Met
je neus in de boter vallen,’ zei hij, ‘is dat goed of slecht?’
Als deze anekdote iets duidelijk maakt, is het dat taal in
wezen een particulier universum behelst dat keer op keer botst
met de conventies. Ieder woord heeft een denotatie, de vastgelegde
betekenis(sen) die je in
het woordenboek kunt vinden,
maar ook een connotatie, de eigen invulling van een begrip.
Als je boter vreselijk smerig vindt, kan met je neus erin vallen
niets anders dan een verschrikking inhouden, maar de afspraak
is dat je boft als het gebeurt.
Bij B.C. Epker zijn taal en beeld opzettelijk ongehoorzaam.
Willens en wetens tegendraads. Hij lapt de regels van spelling
en anatomie aan zijn laars en bouwt vanuit die doelbewuste
verschrijvingen
en vervormingen een privé-universum, waar eigen
wetten gelden; te weten die van zijn alter ego St. Bastiaan.
Epkers wereld is het bouwwerk van een speelse, rebelse geest.
Er heerst een milde anarchie, als in een jongensboek. Niet het
jongensboek waarin de wereld een ongerept Eden is, maar een
waarin de jongen zich (nog) verzet tegen de geplande loop der
dingen, tegen de drog van de dagelijkse gang en de grote en
kleine tegenslagen die het leven hem heeft toebedacht.
Elke kunstuiting is de compensatie van een gemis, een correctie
op de schepping of het heroveren van een verloren gegane
wereld. In sommige gevallen allebei tegelijk. De Russische
dichter Velimir Chlebnikov, bijvoorbeeld, geloofde dat er een
oertaal moest zijn. De door hem ontworpen nieuwe taal, die hij ‘Zaoem’ (in het Nederlands ‘voorbij de rede’) doopte, was op
hetzelfde moment een poging om de paradijselijke taal in ere te
herstellen, als de creatie van een taal voor de toekomst. Net als
de dichter probeert de beeldend kunstenaar een vorm te vinden
voor zijn voorstelling van de wereld. Een ideaal uit te beelden.
Niet in de zin van het volmaakte, maar meer in de betekenis
van het mogelijk maken van andere werelden. In de filosofie
noemt men dat een idealist, iemand die gelooft dat een andere
wereld mogelijk is. Je zou daarom kunnen zeggen dat het basale
probleem van iedere beeldend kunstenaar is om van zijn
denkbeeld een reëel beeld te maken.
De houtsnede (Not) in Paradise... van B.C. Epker laat heel
mooi de (on)mogelijkheid van zo’n op de verbeelding veroverde
wereld zien. Op de achtergrond staan Adam en Eva, beiden
naakt, in verstrengeling. De appel moet net zijn gedeeld, want
wat wij zien moet het begin van het voorspel zijn. Links vooraan
heeft de slang zich rond de boom gekronkeld. Tot zover
wijkt het beeld niet af van de bijbelvertelling, maar rechts op
de voorgrond heeft Epker een jager geplaatst. Hier heeft niet
zomaar de mens zijn intrede gedaan in het paradijs (dat daarmee
ophoudt paradijs te zijn), maar meer specifiek de eenentwintigste-
eeuwse mens. Kijk naar de kleding en het kapsel
van de jager, naar de kalmte waarmee hij zijn geweer in de
aanslag houdt. Het is maar de vraag of het wel een jager is, en
geen acteur of een model. Het wonderlijke van deze prent is
dat zij niet uitsluitend een klassiek verhaal verbeeldt, maar op
hetzelfde moment een commercial zou kunnen zijn, voor sigaretten,
parfum of vrijetijdskledij. Het knappe is dat de kunstenaar
de anachronismen die de reclamejongens zo handig als
verkooptechniek inzetten, weet te gebruiken om het beeld
haar oorspronkelijke, allegorische betekenis terug te geven.
Zoals de keuze-mogelijkheid in de titel aangeeft, zijn wij in het
paradijs en zijn wij er niet.
De prent geeft nog een ander belangrijk bestanddeel van
B.C. Epkers werk prijs, een element dat de laatste jaren een
steeds voornamere rol in zijn oeuvre is gaan spelen, namelijk
het obscene. De zondeval van de eerste mens wordt hier bijvoorbeeld
wel erg zinnelijk verbeeld. Zowel in zijn grafiek als
in zijn tekeningen is Epker pornografische afbeeldingen gaan
gebruiken. Bij wijze van contrapunt voor zijn naïef lijkende
jongensboekenwereld die door stoere zeemannen en Friese
volkshelden wordt bevolkt. Zonder de eigenzinnigheid van zijn
vroegere werk te corrumperen, heeft hij daarmee een groot
aantal betekenislagen aan zijn werk toegevoegd.
Een verzoek tot interpretatie. ‘Zerstörte Traumorte’ was de
titel van Epkers expositie in Buro Leeuwarden een aantal jaren
geleden. Verwoeste droomoorden dus. Afgaande op het nieuwe
werk heeft in het hoofd van de kunstenaar een hevige strijd
gewoed. Blijkbaar is het moeilijk gebleken de strikt persoonlijke
mythologie die zijn werk van meet af aan zo intrigerend
maakte, te handhaven. Alsof iemand een raam heeft laten
openstaan, waardoor de vervloekte, vileine en platvloerse buitenwereld
kans heeft gezien de vertrekken van de fantasie binnen
te treden en zich daar blijvend te vestigen. Die strijd duurt
voort. De personages zijn dezelfde gebleven, maar er zijn een
groot aantal figuranten bijgekomen die de hoofdrol dreigen op
te eisen. Ter illustratie: de prent Car Struck Girls. Wij zien de
zeeman, een aangepaste versie van St. Bastiaan die we uit eerder
werk van Epker kennen. Deze marineofficier wordt geflankeerd
door moderne Liliths. Geboren verleidsters die hun seksualiteit
inzetten om de held onschadelijk te maken door het
jongetje over te halen man te worden. De titel Car Struck Girls,
meisjes met motorpech, liegt er niet om. Het is een duidelijke
referentie aan erotische films, waarin kortgerokte deernes met
panne en kordate mannen altijd weer de opmaat vormen voor
een zinnelijk avontuur. Misschien vertegenwoordigen deze
vrouwen het paradijs, misschien zijn het moderne erfgenamen
van Eva, die, bezweken voor de verleiding, zelf verleidelijk
werd. Hoe dan ook, al die paradijselijke verlokkingen vormen
blijvend een bedreiging van de particuliere wereld, waar een
eigen logica regeert.
Er is veel veranderd, veel gebeurd in de afgelopen jaren en
het zou van ongevoeligheid getuigen als de kunstenaar zich
over deze gewelddadigheden (in Nederland en elders) het
hoofd niet brak. ‘Grote gebeurtenissen zijn funest voor een
schrijver,’ laat de Duitse dichter en romancier Michael Krüger
een van zijn protagonisten zeggen, ‘want zij veranderen zijn
persoonlijkheid en dat is alles wat hij heeft.’ Voor beeldend
kunstenaars is dat opnieuw niet anders en precies dát: de
immense druk van de mondiale wanorde en ontwrichting op
de persoonlijke beleving wordt in Epkers recente werken verbeeld.
De nieuwste prenten en tekeningen geven uiting aan
het slopende gevecht dat is gevoerd om het strikt persoonlijke
te bewaren. Door zijn streven deze verwarrende crisis te weerstaan,
sluit het werk onverwacht, maar zonder dat er enige
concessie is gedaan, naadloos aan bij de veelal diffuse discussie
over (culturele) identiteit die momenteel op meerdere fronten
wordt uitgevochten.
Inhoud en vormtaal hebben zich bij Epker op en naar het
snijpunt van fantasie en werkelijkheid begeven. Daar waar
beide domeinen elkaar raken, ontstaat frictie. Je zou het obscene
uit kunnen leggen als de mogelijkheid om de fantasie
zich te laten manifesteren. Dat kan echter nooit zonder het
offer van de ontgoocheling. De Belgische schrijver Stefan Hertmans
haalt in zijn essay ‘De paradox van het obscene’ het voorbeeld
van de peepshow aan. Door de voyeur te geven wat hem
in zijn fantasie het meest prikkelt, namelijk het zicht op haar
intiemste delen, ontneemt de stripteaseuse volgens Hertmans
hem het zicht op wie zij werkelijk is. Maar er gebeurt meer,
want door de droom wáár te maken, vernietigt zij de droom
die nu nog op zijn best een gekoesterde herinnering kan zijn.
Omgekeerd wordt de onverwerkte werkelijkheid, de gevoelens
van bijvoorbeeld angst en lust die geen manifestatie (kunnen)
krijgen, door de fantasie gesublimeerd tot een voorstelling
die irreëel is en ook nooit reëel kan worden. In Epkers
oeuvre waren het obscene en het sublieme altijd al met nadruk
vertegenwoordigd, maar nooit zo duidelijk tegelijkertijd. Dat is
op zich logisch, omdat die twee feitelijk niet samen kunnen
gaan. Het obscene is immers de ontmanteling van het
gefantaseerde,
terwijl de fantasie de inkapseling van de
obsceniteit
van het reële is.
Nu nogmaals de prent Car Struck Girls.
De marineofficier
heeft de verleidelijke vrouw aan zijn voeten.
Op zijn commando
zal zij zich blootgeven. Hij hoeft het niet eens
netjes te vragen.
Deze strak in het pak zittende incarnatie van
St. Bastiaan
kijkt echter stuurs voor zich uit met de onverzettelijke
blik van
iemand die weigert zich gewonnen te geven. Hierdoor
ontstaat
een eigenaardig status-quo. De vrouw heeft zich in de rol
van verleidster gevlijd, de kapitein zich in de zijne: het toonbeeld
van ontoegeeflijkheid. Precies op het moment dat de
spanning zijn cumulatiepunt bereikt, gunt de kunstenaar ons
een blik op het tafereel en laat ons verder in het ongewisse.
Je kunt je voorstellen wat voor gênante situatie dit in werkelijkheid
zou opleveren als de zeebonk inderdaad niet zwicht
voor de verlokking en de verleidster zich onverrichter zake
terug moet trekken. In werkelijkheid.
Dit is echter de wereld
van B.C. Epker. Wees welkom!



English
Publications:
- Paradise lost/regained*
- The empty Sky of B.C. Epker
Articles:
- Ruins of the battlefield
- Shimmergift
- The dreamer doesn't get lost
Press:
- Review Volkskrant (Dutch)
Dutch
Pulicaties:
- Paradise lost/regained*
- De lege hemel van B.C. Epker
Artlkelen:
- De ruines van het slagveld
- Schemergift
- De dromer verdwaalt niet
- Paradise Lost
Recensies:
- Volkskrant
German
Artlkel:
- Paradise Lost